|
| bron: FT nieuws N200103-74, 20 januari 2003 |
|
| DE HOGE RAAD BEVESTIGDE DAT ER TUSSEN BELANGHEBBENDE EN HAAR OPDRACHTGEVER EEN VERHOUDING BESTOND VAN ONDERGESCHIKTHEID WAT BETREFT DE ARBEIDS- EN BEZOLDIGINGSVOORWAARDEN EN DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE OPDRACHTGEVER.
Het hebben van slechts één opdrachtgever en ontbreken ondernemersrisico belette zelfstandigheid
Belanghebbende was in contact getreden met iemand die machines verkocht. Zij waren in 1995 overeengekomen dat belanghebbende op exclusiviteitsbasis de markt in een bepaald land ging bewerken. Dit tegen een bepaalde commissie die werd betaald na realisatie en betaling van het project. Belanghebbende had in 1997 een bedrag van bijna € 60.000 gefactureerd. In geschil was of belanghebbende de werkzaamheden als ondernemer had verricht.
Hof Amsterdam besliste dat belanghebbende op grond van onder meer de volgende feiten geen BTW-ondernemer was. Hij was alleen ingehuurd voor de markt in dat land. Hij had geen kennis van de machines of de branche. Ook volgens belanghebbende zelf ging het de opdrachtgever in de eerste plaats om zijn kennis van de taal en cultuur. Op grond hiervan was het volgens het Hof onaannemelijk dat belanghebbende zelfstandig deze dure, gecompliceerde machines had kunnen verkopen. De opdrachtgever had aan belanghebbende een bestand met potentiële klanten verstrekt. De opdrachtgever stelde de verkoopovereenkomst op, factureerde aan de kopers en zorgde voor de installatie. Belanghebbende had geen andere opdrachtgevers. In 1998 was belanghebbende in loondienst getreden bij de opdrachtgever. Belanghebbende gebruikte het briefpapier van de opdrachtgever. Hij adverteerde niet en stond niet vermeld in het telefoonboek. Anders dan belanghebbende veronderstelde, ging het niet zozeer om de hoogte van de baten maar meer om het ondernemersrisico, in de zin van het (zelfstandig en voor eigen risico) verwerven van opdrachten. Daarvan was hier geen sprake. Uit dit alles volgde volgens het Hof dat de vereiste zelfstandigheid ontbrak. Het beroep was ongegrond (zie N260902-1488 ).
De Hoge Raad bevestigde dat het hebben van slechts één opdrachtgever en het niet lopen van een ondernemersrisico, in de zin van het (zelfstandig en voor eigen risico) verwerven van opdrachten - ertoe leidde | |